Statenvertaling

Spreuken 23:24-35 Statenvertaling (SV1750)

24. De vader des rechtvaardigen zal zich zeer verheugen; en die een wijzen zoon gewint, zal zich over hem verblijden.

25. Laat uw vader zich verblijden, ook uw moeder; en laat haar zich verheugen, die u gebaard heeft.

26. Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.

27. Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.

28. Ook loert zij als een rover; en zij vermenigvuldigt de trouwelozen onder de mensen.

29. Bij wien is wee? bij wien och arme? bij wien gekijf? bij wien het beklag? bij wien wonden zonder oorzaak? bij wien de roodheid der ogen?

30. Bij degenen, die bij den wijn vertoeven; bij degenen, die komen om gemengden drank na te zoeken.

31. Zie den wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in den beker zijn verve geeft, als hij recht opgaat;

32. In zijn einde zal hij als een slang bijten, en steken als een adder.

33. Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken.

34. En gij zult zijn, gelijk een, die in het hart van de zee slaapt; en gelijk een, die in het opperste van den mast slaapt.

35. Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog meer zoeken!