Statenvertaling

Job 9:3-20 Statenvertaling (SV1750)

3. Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.

4. Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?

5. Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;

6. Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;

7. Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;

8. Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;

9. Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;

10. Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.

11. Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.

12. Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?

13. God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.

14. Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?

15. Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.

16. Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft.

17. Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.

18. Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.

19. Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?

20. Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.