Statenvertaling

Jesaja 3:15-26 Statenvertaling (SV1750)

15. Wat is ulieden, dat gij Mijn volk verbrijzelt, en de aangezichten der ellendigen vermaalt? spreekt de Heere, HEERE der heirscharen.

16. Verder zegt de HEERE: Daarom dat de dochteren van Sion zich verheffen, en gaan met uitgestrekten hals, en lonken met de ogen, al gaande en trippelende daarhenen treden, en alsof haar voeten gebonden waren.

17. Zo zal de HEERE den schedel der dochteren van Sion schurftig maken, en de HEERE zal haar schaamte ontbloten.

18. Ten zelfden dage zal de HEERE wegnemen het sieraad der kousebanden, en de netjes, en de maantjes,

19. De reukdoosjes, en de kleine ketentjes, en de glinsterende kledingen,

20. De hoofdkroning, en de armversierselen, en de bindselen, en de reukballetjes, en de oorringen,

21. De ringen en de voorhoofdsierselen,

22. De wisselklederen, en de manteltjes, en de hoedjes, en de buidels,

23. De spiegels, en de fijn-linnen deksels, en de hulledoeken, en de sluiers.

24. En het zal geschieden, dat er voor specerij stank zal zijn, en lossigheid voor een gordel, en kaalheid in plaats van haarvlechten, en omgording eens zaks in plaats van een wijden rok, en verbranding in plaats van schoonheid.

25. Uw mannen zullen door het zwaard vallen, en uw helden in den strijd.

26. En haar poorten zullen treuren, en leed dragen, en zij zal, ledig gemaakt zijnde, op de aarde zitten.