NBG-vertaling 1951

Lucas 20:14-24 NBG-vertaling 1951 (NBG51)

14. Maar toen de pachters hem zagen, overlegden zij met elkander en zeiden: Dit is de erfgenaam: laten wij hem doden, opdat de erfenis voor ons zij.

15. En zij wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem. Wat zal dan de heer van de wijngaard met hen doen?

16. Hij zal komen en die pachters ombrengen en de wijngaard aan anderen geven. Maar toen zij dat hoorden, zeiden zij: Dat nooit!

17. Maar Hij zag hen aan en zeide: Wat betekent dan dit, dat er geschreven is:De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden?

18. En ieder, die op die steen valt, zal verpletterd worden; en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.

19. En de schriftgeleerden en overpriesters trachtten op hetzelfde ogenblik de hand aan Hem te slaan, maar zij vreesden het volk. Want zij begrepen, dat Hij deze gelijkenis met het oog op hen gesproken had.

20. En om Hem na te gaan zonden zij spionnen uit, die zich voordeden als vrome mensen, om Hem op een woord te vatten, ten einde Hem te kunnen overleveren aan het gezag en de beschikking van de stadhouder.

21. En zij vroegen Hem en zeiden: Meester, wij weten, dat Gij rechtuit spreekt en leert en niemand naar de ogen ziet, maar in waarheid de weg Gods leert;

22. is het ons geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?

23. Doch Hij doorzag hun sluwheid en zeide tot hen:

24. Toont Mij een schelling; wiens beeldenaar en opschrift draagt hij? Zij zeiden: Van de keizer.