NBG-vertaling 1951

Exodus 39:20-38 NBG-vertaling 1951 (NBG51)

20. Ook maakten zij twee gouden ringen en zetten die op de beide schouderstukken van de efod, onderaan aan de voorkant, dicht bij de plaats waar hij verbonden was, boven de gordel van de efod.

21. Zij bonden het borstschild met zijn ringen aan de ringen van de efod vast met een blauwpurperen snoer, zodat het op de gordel van de efod vastzat, en het borstschild niet van de efod kon afschuiven – zoals de Here Mozes geboden had.

22. En hij maakte het opperkleed van de efod, weefwerk, geheel blauwpurper.

23. De opening van het opperkleed was in het midden ervan als bij een pantser, rondom die opening was een rand, opdat het niet scheurde.

24. Zij zetten op de zomen van het opperkleed granaatappels in blauwpurper, roodpurper en scharlaken, getweernd.

25. Zij maakten belletjes van louter goud en zetten de belletjes tussen de granaatappels op de zomen van het opperkleed, overal tussen de granaatappels:

26. telkens een belletje en een granaatappel, rondom op de zomen van het opperkleed voor de dienst – zoals de Here Mozes geboden had.

27. En zij maakten de onderklederen van fijn linnen, weefwerk, voor Aäron en zijn zonen,

28. de tulband van fijn linnen, de sierlijke hoofddoeken van fijn linnen, de linnen broeken van getweernd fijn linnen,

29. en de gordel van getweernd fijn linnen, blauwpurper, roodpurper en scharlaken: veelkleurig weefwerk – zoals de Here Mozes geboden had.

30. Zij maakten een plaat, de heilige diadeem, van louter goud, en schreven daarin een inschrift, zegelgraveerwerk: Den Here heilig.

31. Zij zetten er een blauwpurperen snoer aan om ze op de tulband vast te maken – zoals de Here Mozes geboden had.

32. Toen was alle arbeid aan de tabernakel, de tent der samenkomst, voltooid, en de Israëlieten hadden het werk verricht overeenkomstig alles wat de Here Mozes geboden had, zó hadden zij het verricht.

33. En zij brachten de tabernakel tot Mozes, de tent met al haar gerei, de haken, planken, dwarsbalken, pilaren met hun voetstukken,

34. het dekkleed van roodgeverfde ramsvellen, het dekkleed van tachasvellen, het voorhangsel ter bedekking,

35. de ark der getuigenis met de draagstokken en het verzoendeksel,

36. de tafel, al haar gerei en het toonbrood,

37. de kandelaar van louter goud, zijn lampen – de lampen die men daarop hun plaats geven moest – en al zijn gerei, de olie voor het licht,

38. het gouden altaar, de zalfolie, het welriekend reukwerk, het gordijn voor de ingang der tent,