Het Boek

Jozua 7:17-23 Het Boek (HTB)

17. Toen traden de families van de stam van Juda naar voren, waarbij die van Zerach werd aangewezen. Toen de gezinnen van deze familie aantraden, werd het gezin van Zabdi aangewezen.

18. Eén voor één werden daarna de gezinsleden van Zabdi voorgeleid en zijn kleinzoon Achan werd aangewezen als de schuldige.

19. Jozua zei tegen Achan: ‘Mijn zoon, geef eer aan de God van Israël en belijd Hem uw zonden. Vertel mij wat u hebt gedaan.’

20. ‘Ik heb gezondigd tegen de Here, de God van Israël,’ bekende Achan.

21. ‘Ik zag een prachtige Babylonische mantel, ruim twee kilo zilver en een staaf goud, die zo'n vijfhonderdvijftig gram woog. Ik kon ze niet laten liggen en heb ze meegenomen en begraven onder mijn tent. Het zilver ligt onderaan.’

22. Jozua stuurde enkele mannen om de buit te halen. Zij gingen naar de tent en vonden de gestolen waar, precies op de plaats die Achan had genoemd. Het zilver lag inderdaad onderaan.

23. Zij brachten alles naar Jozua en de Israëlieten en legden het voor het oog van de Here op de grond.